Article

Sprak er iemand over onzichtbare zorg?

Gideon Boie en Vjera Sleutel


20/12/2020, Psyche

Image: Stijn Bollaert

De toekomst ligt een “zorg die niet meer afgezonderd maar geïntegreerd is in het maatschappelijke en stedelijke leven,” schreef Vlaams Bouwmeester Peter Swinnen in 2012.  Hij noemde het de onzichtbare zorg. (Psyche 25/1) De notie was tevens een kritiek op de vaak opzichtige architectuur van ziekenhuizen, waarbij je van mijlenver ziet dat het een zorginstelling is. Opmerkelijk genoeg blijken vandaag niet alle resultaten van de Pilootprojecten Onzichtbare Zorg te passen in de filosofie, zoals het torenhoge woonzorgcentrum Klein Veldekens in Geel.

Download PDF

Een speling van het lot wil dat de onzichtbare zorg misschien wel best gerealiseerd werd in een bouwproject dat uit de boot viel van de Pilootprojecten: de uitbreiding van Huis Perrekes in een villa aan het dorpsplein van Oosterlo, deelgemeente van Geel. De villa is een uitbreiding voor 10 personen met dementie, plus 10 personen in dagopvang, op het bestaande aanbod van kleinschalig wonen van Huis Perrekes, een vzw die in 1986 opgericht onder de bezielende leiding van Carla Molenberghs.

De villa werd geopend in 2017, maar kent een lange voorgeschiedenis. Reeds in 2011 werd een visieontwikkeling opgezet door Studio Ester Goris met het oog op uitbreiding. De bedoeling was om te bouwen op het terrein aanpalend aan de bestaande drie huizen, waarbij een grondruil met de gemeente een link mogelijk maakte met de dorpsstraat. De nieuwbouw zou functioneren als een doorwaadbaar gebied met dierenweide en toegang naar een kinderdagverblijf. De ontwerpopdracht wordt in 2014 via een Open Oproep van de Vlaams Bouwmeester toevertrouwd aan NU architectuuratelier. (Psyche 26/3)

Het project valt echter stil door gebrek aan financiering, nadat de regionaal beschikbare RIZIV-bedden geconcentreerd worden in Klein Veldekens, een boogscheut verderop. De plannen werden bijgestuurd tot een beperkte uitbreiding in een bestaande villa aan de overkant van de dorpsstraat. De omslag mag dan wel drastisch lijken, maar de villa maakt het uiteindelijk mogelijk om pas echt onzichtbaar aanwezig te zijn in het dorp. Er zijn een drietal ‘onzichtbaarheidsfactoren’ die hierbij bepalend zijn voor de bijzondere architectuur van het kleinschalige woonzorgcentrum voor personen met dementie.

In de eerste plaats is er de geborgenheid van het huis. De voorgevel van de villa aan het dorpsplein verklapt niets van de zorgfunctie. Ook de indeling van de villa bleef grotendeels intact, waardoor de geborgen sfeer van een woonhuis primeert. De inkomhal ademt de sfeer van een normaal huis met een kapstok voor jassen, schoenenkast, trap en enkele deuren. In de woon- en eetkamer functioneert de opengemaakte keuken als de centrale plaats voor toezicht en aanwezigheid. De bovenverdieping werd ingericht met een tweetal studio’s voor koppels of verblijf van gasten.

Een tweede element is de beddengang met uitzicht. De individuele kamers liggen op een rijtje in een lage aanbouw. De brede, licht gebogen gang zorgt voor panoramisch zicht vanuit de kamerdeur op de riante tuin. Inkijk op de kamers vanuit de tuin wordt vermeden door dichte begroeiing in de rug van het gebouw. Een korte verbindingsgang met plafondhoge schuifdeur benadrukt de scheiding van het nachtgedeelte in de aanbouw met het verblijfsgedeelte in de villa. Op het uiteinde van de gang met kamers ligt een lokaal voor muziektherapie met piano en opnieuw een zee van licht.

Een derde element is de bemiddelende functie van de tuin, met verschillende sferen. In de ommuurde, geplaveide tuin bij de keuken zijn planten- en groentebakken voorzien onder een luifel. De tuin met hoogstammige bomen heeft de allure van een park. Een slingerend pad loopt door de tuin, met stoelen verspreid in het gras en centraal een kunstige, cirkelvormige zitbank waarop je tegenover elkaar kan zitten. Achterin de tuin staat een paviljoen, dat toelaat om afstand te nemen en ook terug te kijken naar de villa. De glazen gevel van het paviljoen kan volledig open vouwen, waardoor het kan dienstdoen als zomerpodium.

Opvallend is dat de normalisering van zorgfuncties doorwerken tot in het kleinste detail van de interieurvormgeving. Zo werden in de leefruimten de ingebouwde kasten en donkere houten lambrisering behouden. De leefruimte heeft een houten parketvloer. In het nachtgedeelte zorgen de rode tegels en houten plafonds voor een warme sfeer. Elke slaapkamer is ingericht met telkens ander meubilair dat in eender welk huis zouden passen. Enkele meubelstukken werden speciaal ontwerpen, zoals de tafel bestaande uit verschillende segmenten met een stil leven van betonnen potten en kannen, nodig als contragewicht.

Het meest curieuze meubel is ongetwijfeld het wiegbed in de verzorgingskamer, een intieme ruimte met tapijt en boekenrekje, dat wat teruggetrokken ligt in de hal. In de jaren 1990 ontwikkelde architect Gerard Cools voor Huis Perrekes een bed met hoge, houten bedrand voor een grote geborgenheid. Dit bed kreeg een update (een ontwerp van NU i.s.m. Atelier Modest) met nu een mogelijkheid om te wiegen, dankzij een eenvoudig mechanisch middel. Het wiegen is een rustgevende activiteit voor erg kwetsbare mensen in een palliatieve fase en staat symbool voor de wakende houding van het zorgpersoneel.

Artikel gepubliceerd in Psyche 32 (4), uitgave van het Steunpunt Geestelijke Gezondheidszorg, december 2020.

Tags: Care

Categories: Architecture

Type: Article

Share: