Article

Stad Limburg: baanbreker in de ruimtelijke ontwikkeling van Vlaanderen

Gideon Boie


Ruimte

De aangekondigde sluiting van Ford Genk is in Limburg hard aangekomen. Toch hoeft dat niet te betekenen dat de provincie op een catastrofe afstevent. Je kunt het ook positief bekijken: de ontmanteling van het industriële complex dwingt de Limburgers nieuwe antwoorden te formuleren
op ruimtelijke vraagstukken. Architectuurwijzer neemt met Atelier Limburg Europa de proef op de som.

Download PDF

Geen V²O zonder ruimte

Met de aangekondigde sluiting van Ford Genk verliest de provincie Limburg het sluitstuk in haar belangrijkste waardeketen. Daarom werd een ministeriële werkgroep in het leven geroepen met de opdracht een Strategisch Actieplan Limburg in het Kwadraat (SALK) uit te werken. De basisidee van dat plan ligt in ‘versnellen, versterken en ontwikkelen’ – samengevat in de formule V²O. Een brede consultatie leverde niet minder dan 800 projectfiches op. Na strenge selectie, onderhandeling en uitwisseling koos de werkgroep daaruit een twintigtal projecten, waaronder een IKEA in Hasselt, het kenniscentrum Energyville in Genk, een nieuwe gevangenis in Leopoldsburg en het recreatiegebied Ter Hills in Maasmechelen. Men had daarbij vooral oog voor werkgelegenheid en economisch herstel.

Maar hoe zit het met de impact van al die projecten op de Limburgse leefomgeving? Die is bijzonder groot. Het gaat om ruimtelijke ontwikkelingen die niet alleen een grote ecologische voetafdruk hebben, maar ook een directe belasting vormen voor de omliggende verkeersinfrastructuur, openbaar vervoer, huisvesting, enzovoort.  Van het ambitieuze SALK had men daarom mogen verwachten dat het een formule naar voren zou schuiven die richting geeft aan de ruimtelijke relance van Limburg. Maar het ruimtelijke facet van SALK beperkt zich tot ontsluiting. En daarmee basta. De Limburgse gouverneur Herman Reynders had als lid van de ministeriële werkgroep nochtans een gouden idee in handen. Tijdens de Staten-Generaal van de Limburgse architectuur (Architectuurwijzer, november 2012) herhaalde de gouverneur zijn oproep om de 44 steden en gemeenten van zijn provincie te laten opgaan in ‘Stad Limburg’. Het idee is even eenvoudig als briljant: het biedt een denkraam waarbinnen alle andere particuliere ontwikkelingsprojecten – IKEA, Energyville, gevangenis, Ter Hills, … – in één verband samengebracht worden.

Productieve stad

Het voorstel van de gouverneur spoort met het toenemende belang van de stedelijke ruimte in tijden van de-industrialisatie. Generaties
lang werd het leven in de stad bepaald door de noden, het ritme en de sociale organisatievorm van de fabriek. Vandaag liggen de kaarten
anders. De stad is het knooppunt in de activiteiten die bedrijven en personen dagelijks ontplooien. Het vestigingsklimaat en de levenskwaliteit
van een stad zijn doorslaggevend voor het behoud van deze activiteiten en verrijken die bovendien door concentratie, nabijheid
en participatie. Op die manier vormt de stad de sleutel om de dagelijkse transacties en contacten in Limburg te ‘versnellen, versterken
en ontwikkelen’.

Al deze facetten van de stad komen in het SALK nauwelijks aan bod. Ontsluiting en verbinding blijven de ruimtelijke speerpunten
– al sluiten deze beter aan op het oude paradigma van de industriële stad. Het verbinden van attractiepolen is vandaag een belangrijk element,
maar ook niet meer dan dat. Dat geldt ook voor de ontsluiting van Limburg door middel van snelle verbindingen met Nederland
– met onder andere de Noord-Zuidverbinding (vandaag vastgelopen in Houthalen) en het Spartacusplan1. De vraag is of interventies
in het infrastructuurvraagstuk volstaan om bedrijven en personen duurzaam aan Limburg te binden. Of staan ze garant voor een snelle
doortocht? De beoogde nieuwe bedrijvigheid en tewerkstelling zijn moeilijk haalbaar als niet eerst de juiste ruimtelijke mogelijkheidsvoorwaarden
worden gecreëerd.

Een eigen waarde

Met ongeveer 850.000 inwoners is Stad Limburg van hetzelfde niveau als Stad Antwerpen, maar het kan natuurlijk niet de bedoeling zijn een concurrentieslag met Antwerpen te ontketenen, waarbij dwangmatig wordt gezocht naar een kwantitatief verschil op hitlijsten (wie is de grootste, wie haalt de beste omzet?). Waar het om gaat is dat Stad Limburg een eigen plek op de kaart claimt. Kwalitatieve verschillen zijn hierbij doorslaggevend, hoewel kwaliteiten in principe autoreferentieel zijn. Zo wordt de onmiskenbare kwaliteit van Antwerpen steevast vanuit de stad zelf gedefinieerd: de haven, de Schelde, de straten om in te verdwalen, de trots van de inwoners, de Werf van de Eeuw. Alles draagt het logo met de stralende A. Opvallend is dat binnen deze dynamiek het onderscheid tussen ’t Stad en de Provincie Antwerpen voor buitenstaanders onduidelijk is. En geen mens die zich in het hoofd zal halen de waarde van Antwerpen af te meten aan het grensverkeer met Nederland.

Het verschil met Limburg zou niet groter kunnen zijn. De relatie van de 44 Limburgse steden en gemeenten met de provincie is allesbehalve eenduidig. Het Limburggevoel mag voor de buitenwereld dan wel robuust lijken, intern is men er als de kippen bij om zich van de provincie te distantiëren. Intergemeentelijke samenwerking wordt vaak doorkruist door streekeigenheid en onderlinge vetes. Logisch dat men in dergelijke situatie de kwaliteit van Limburg nog liever vastpint op de dynamiek die bestaat rond de nationale grenzen. De Vlaams Bouwmeester richt in zijn Ambitienota de blik op de Euregio Maas-Rijn – een para-bestuurlijk netwerk dat zich uitstrekt tot Maastricht, Luik en Aken. Kortom, met Stad Limburg staat de afbakening van een eigen plaats binnen Europa op het spel. De vanzelfsprekende versnelling van activiteiten rondom grenzen mag geen reden zijn om niet eerst een waarde te bepalen die los staat van de ander.

Van bipolair naar multipolair

De profilering van Limburg begint met het versterken van de interne samenhang. Stad Limburg vertrekt van het stedelijk landschap met verspreide, min of meer gelijkwaardige kernen, verbonden door infrastructuur en landschap. De multipolaire ruimtelijke figuur maakt het mogelijk om functies, programma’s en attracties op een zinvolle manier te verdelen over de 44 steden en gemeenten. Bipool Hasselt-Genk toont de noodzaak van dergelijke ruimtedeling. Het idee werd in de jaren 1990 opgenomen in het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen (RSV) om de unieke nabijheid van twee centrumsteden te versterken. In de praktijk is de Bipool altijd een wensdroom gebleven. Recent herhaalden de twee steden weliswaar hun ambities met betrekking tot gemeenschappelijke mobiliteitsplannen, maar als het op harde materies aankomt, zoals de afbakening van woongebied of het aantrekken van een distributieketen, blijkt de Bipool nauwelijks iets voor te stellen.

Dat mag geen reden zijn om alle hoop te laten varen. Het mislukken van Bipool toont de noodzaak om de samenwerking niet te beperken tot twee steden, maar open te trekken naar meerdere steden én gemeenten. Eén-op-één onderhandelingen dreigen altijd onderlinge verdeeldheid en afgunst uit te lokken. Dat is weinig strategisch. Stad Limburg biedt een raamwerk met het voordeel van het ruime getal. Voor een intergemeentelijke samenwerking is immers onderhandelingsruimte nodig, waarbinnen kruisverbanden mogelijk zijn en posities inwisselbaar worden.

De winst van een verlies

De Bipool is een symptoom voor de manier waarop men van samenwerking steevast een winwinsituatie verwacht. Het benutten van ‘gedeelde kansen’ zou een winst opleveren waar beide partijen wel bij varen. Maar in de praktijk blijkt dat een dergelijke samenwerkingsideologie er evengoed toe kan leiden dat men kwesties die geen winst opleveren naar elkaar doorschuift. Zo was het Genkse Stadsplein bedoeld om beweging in de woonmarkt te brengen door in te zetten op appartementen voor senioren (waardoor middenklassewoningen in de tuinwijken vrijkomen voor jonge gezinnen.) Hierbij rekende Genk tevergeefs op de verantwoordelijkheidszin van buurgemeente Zutendaal voor de bouw van sociale woningen. En het kan nog erger. Als kansen niet te delen zijn in een win-winsituatie geldt het recht van de slimste. Zo was een kleine meerprijs genoeg om het mediaspektakel Villa Vanthilt van Genk naar Hasselt te doen verhuizen.

De idee-fixe van de win-winstrategie doet vergeten dat er ook andere modellen voor intergemeentelijke samenwerking bestaan. Het aanpakken van een gedeeld probleem biedt vaak meer uitzicht op een hechte en duurzame samenwerking, zoals het succesverhaal van het Emscher Landschapspark aantoont. En het opofferen of zelfs wegschenken van een kans kan evengoed een sterke band creëren. In de schoot van de SALK-werkgroep heeft Hasselt recent de distributieketen IKEA ingehaald na een felle strijd met Genk – een laatste wapenfeit in de intergemeentelijke twist. Je kunt je afvragen wat er gebeurd zou zijn als Genk vrijwillig afstand had gedaan van de distributieketen ten voordele van Hasselt, omdat de distributie van massaproducten nu eenmaal niet past in het imago van een jonge stad die bruist van creativiteit. Of omgekeerd: wat zou er gebeuren als Hasselt de IKEA zou gunnen aan Genk, aangezien Genk ruimte te over heeft voor de inplanting en ontsluiting van grootschalige distributiecomplexen? In beide gevallen was dan de basis gelegd voor een duurzame intergemeentelijke samenwerking.

Gepubliceerd in Ruimte #19, magazine van VRP

 

Noten:

1 Een project van De Lijn: sneltramverbindingen vanuit Hasselt naar Maastricht, het Maasland en Noord-Limburg, die aangesloten worden op een knooppuntennetwerk.

Categories: Urban planning

Type: Article

Share: